Het is nog vroeg,
zes uur, vanmorgen. Ik word wakker met koormuziek. Droom ik nog? Bij het aankleden hoor ik het nog
steeds, prachtig accapella. Als we het hek uit rijden om de kids naar school te
brengen zien we boomtakken op straat liggen. We weten genoeg. Er is iemand
gestorven bij onze linker buren. Uren lang word er gezongen, mensen komen af en
aan. Cees en ik gaan ook, niet voor ik een waardige chitenge (wikkelrok) om heb
gedaan. Dat is essentieel, een teken van respect. We gaan ook maar ergens op de
grond zitten. De 84 jarige vader van de buurvrouw is gestorven. Zij, als oudste
is verantwoordelijk voor de begrafenis. Al wonen deze malawianen al lang niet
meer in een hut, ineens gelden de oude regels weer. Alle meubels zijn uit het
huis gehaald en overall liggen nu traditionele matten op de grond. De vrouwen
zitten daarop, met hun benen recht vooruit. Zo’n houding houdt ik maar even
vol.
Het zingen duurt voort, prachtig vier stemming. Wij kennen de liederen
ook. Alle christenen, van welke denominatie ook, zingen hier uit de zelfde
liedbundel. Chichewa hymns, daar zongen we in Zambia ook altijd uit. Onze buren
zijn catholiek, de vader was 7de dag Adventist, wij gereformeerd. Kun je nagaan
hoe we in kerkelijk Nederland met zangbundels omgaan. Een luxe problem, net zoals
welke bijbel vertaling je gebruikt. Hier is maar 1 vertaling, de oude Chichewa
vertaling in gebruik, of je nu in een charismatische, evangelische,
gereformeerde of andersins achtige kerk thuis hoort.
Terwijl wij op een
gegeven moment weer naar huis gaan houdt het zingen nog altijd aan. Niet door
dezelfde mensen, het is een komen en gaan. Je gezicht laten zien en een poos
meezingen is vergelijkbaar met onze condoleance gewoonte. Onze slaapkamer ligt 3 meter van hun
woonkamer vandaan dus val ik s avonds weer inslaap met koormuziek op de
‘achtergrond’. Om 1 uur houdt het op. Velen die van ver zijn gekomen blijven
slapen, niet binnen maar buiten, gewoon precies zoals het in de traditionele
dorpjes ook gebeurd. Veel mensen krijgen na een begrafenis malaria.
De volgende morgen
begint het zingen weer, heel stichtelijk. Dan opens is het tijd voor het
klagen, dat is de rol voor de vrouwen. Het ‘huilen’ is op grote afstand nog te
horen. De mannen roepen zo nu en dan een phrase over de gestorvene. ‘oh, vader,
hoe kunnen we nu toch verder zonder u?’ Ondertussen moet er ook voor eten
worden gezorgd. Ieder lid van de gemeenschap is geacht iets bij te dragen,
brandhout, maismeel, groente, doeken of geld. Achter alle oprechte symphatie
schuilt toch ook nog het oude idee van je eigen onschuld aan het sterfgeval
bewijzen. Gemengde gevoelens voor familie en buren; liefde en vrees. Je respect
en liefde laten zien door geestelijke liederen te zingen en iets te schenken.
Dan ook mee naar het graf om de geest
van de overledene ‘uit te zenden’ zodat het je nooit op een negatieve manier
zal achtervolgen.
Waarom gaan wij dan
ook op bezoek en brengen we een zak maismeel? We willen onze vriendschap tonen
en niet onverschillig overkomen, hoe anders we het zelf dan ook gewend zijn.
Twee dagen lang van 6 uur smorgens tot 1 uur snachts zingen vind ik wel wat
lang. Toch kan ik me voorstellen dat als je in een niet-pricacy maar een
gemeenschaps cultuur thuis hoort, steun ervaart van zingende buren en kerk
leden.