We
zijn nog maar twee dagen terug van ons verlof in Nederland of ik word vanuit
het dorp gebeld om hulp. Een sterke wind heeft het vuur van een bakstenen oven naar
een groepje kinderen gewaaid. De kinderen konden het vuur gelukkig snel uitslaan
en zichzelf veilig stellen, behalve Tiya. De polyester jurk van het
vijftienjarige gehandicapte meisje vatte vlam en heeft verschrikkelijke
brandwonden veroorzaakt. De ouders konden geen kant op.
Tiya
is niet zo goed ter been, met deze brandwonden helemaal niet. Het ziekenhuis is
ver (tien kilometer). Geld voor transport is er niet, de brug naar het dorp is
ook nog altijd stuk. Ze besluiten niks
te doen. Op het moment dat ik gebeld wordt is het al een week geleden. Ik haast
me er naar toe. Zoiets heeft medische zorg nodig, anders kan het wel dodelijk
zijn. Misschien dacht de familie dat ook wel. Een gehandicapte wordt hier toch
maar als een half mens (of zelfs geen mens) gezien.
Ik
worstel me door de nauwe, drukke, stoffige steegjes, de enige alternatieve
route, en kom in Chinsapo. Hordes kinderen rennen achter de auto aan, roepen
mijn naam en beginnen spontaan de clubliedjes te zingen. Het is een blij
weerzien, maar ik maak duidelijk dat ik geen club kom doen maar Tiya kom
helpen. Het arme kind ligt met hoge koorts op een bankje, een doek ligt losjes
over haar heen. De moeder tilt het doek op, er komt een verschrikkelijke stank
van onder. Vreselijk, wat een wonden. Samen met Grace bidden we om genezing en
snel laden we Tiya en haar moeder en baby in de auto, hopend dat op deze
zondagmiddag ergens nog een kliniek open is.
Op
aanwijzingen van de moeder slaan we allerlei vage hobbel weggetjes in tot we
inderdaad bij een kliniekje komen. Dankbaar dat er een verpleegster zit dragen
we Tiya naar binnen. Ze krijgt een antibiotica injectie en haar wonden worden
verbonden, wel met zo min mogelijk materiaal, alles is schaars. Dat is het dan.
Ik vraag me af of ze geen verband mee krijgt of op zijn minst instructies hoe
je zulke wonden zelf moet verzorgen, maar dat doet men hier niet. We brengen de
patient weer thuis en zullen dus zelf maar voor de nazorg moeten zorgen. Ik
koop vette gaasjes, verband, antibiotica zalf, handschoenen en verschoon de
verbanden om de dag. De koorts lijkt te zakken en de wonden op haar knie zijn
al aan het helen. De grote open wonden op haar bovenbeen en buik zullen nog
veel meer tijd nodig hebben.
Het
zal een wonder zijn als dit meisje, kostbaar in Gods ogen, dit ongeluk zal
overleven gezien de onhygienische en armetierige omstandigheden waarin zij
leeft. We bidden veel voor haar. Het mooiste zou zijn als ze op de een of
andere manier iets van Jezus in ons mag zien en haar hart aan Hem mag geven. Ze
kan niet praten maar altijd als we een Bijbellied zingen maakt ze geluid en
lichten haar ogen op. “Het gebed van het
geloof zal de zieke behouden en de Heere zal hem / haar weer oprichten” Jac
5:15.
Donderdag
zijn we gelijk weer begonnen met het draaien van de twee kinderclubs. We hebben
veel gezongen, een nieuw lied geleerd (Paslm 118), het verhaal van de rijke
dwaas verteld (dat maakt wel wat los), vragen gesteld om de bijbelkennis op te
frissen en voor de oudere kinderen had ik nog mooie uitdeel boekjes. Ze waren
de koning te rijk met ieder hun eigen Bijbelverhaal. Zeker weten dat er
volgende keer het dubbele aantal kinderen zit te wachten...
Ik
kan meestal maar moeilijk in slaap komen als ik een dag (deel) in Chinsapo ben
geweest. De trieste armoede die me dan omringt doet erg veel met me. Deze week
was ik er drie keer en elke keer zag ik dronken ouders, verwaarloosde kinderen,
trieste ogen, mensen zonder initiatief. Maar ook denk ik aan de schitter oogjes
van Felix die zo blij was dat weer weer club deden, een dankbare moeder van
Tiya die me zelfs Gods zegen wenst, een grote knul die zijn cathecismusles nog
niet is vergeten, enthousiaste kinderstemmen die het nieuwe lied meezingen.
“Jezus, alles geeft ik U, wat ik ben en heb en wat
ik ooit zal zijn...”
Geen opmerkingen:
Een reactie posten